Het lelijke schaapje, derde zondag van de advent

Toen het schaapje de volgende morgen wakker werd, stond er†een hele kring nieuwsgierige schapen om hem heen. Ze waren bruin en staarden hem aan.†"Goeiemůrgen," zei de grootste, "jij bent gevlekt!" Het lelijke schaapje knikte bedroefd. "Ik weet het", zei het zacht. "Ik ben†het lelijkste schaap van heel Judea. Daarom ben ik van huis weggelopen. Ik bracht mijn baas ongeluk. Nu ben ik op zoek naar een andere plek om te wonen."†Het bruine schaap zei: "Ga dan met ons mee. Wij horen bij de kudde van een wolkoopman die in heel Judea wollen vachten en garens verkoopt." "Zou ik dan bij jullie mogen wonen?" vroeg het lelijke schaapje hoopvol.

Andere herders
De hele dag speelde en graasde hij met zijn nieuwe vrienden in het veld. Toen was het tijd om naar het kamp te gaan.
De herders zaten om het kampvuur en kookten hun potje. Het bruine schaap zei: ďGa hier maar liggen en zorg dat je niet opvalt." Schaap maakte zich zo klein mogelijk. Thuis, was het laatste wat hij dacht voor hij in slaap viel.

Maar toen de zon opkwam, duurde het niet lang of een herder ontdekte hem. "Hť,' zei de herder, Ēwat is dat voor een misbaksel? Dat is niet van ons. Onze baas heeft alleen mooie, gave schapen. Vort, wegwezen jij, of moet ik de hond op je af sturen?" Het lelijke schaapje begon te hollen voor zijn leven. "Ga naar Bethlehem!" riep zijn vriend hem na. 'Naar de markt! Misschien wil iemand je daar wel hebben!"